Obstetrie, of verloskunde, houdt zich bezig met zwangerschap en bevalling. Meestal hoeft de medische wereld helemaal niet in te grijpen: een bevalling is een heel natuurlijke gebeurtenis.

Toch duiken er soms problemen op die de gezondheid van de moeder en haar ongeboren baby bedreigen. Die gevaren probeert de obstetrie te voorkomen of tijdig te ontdekken.

Starten de weeën bijvoorbeeld te vroeg, vóór het einde van de normale zwangerschapscyclus van veertig weken? Dan is het soms nodig om ze tegen te houden. Blijven weeën uit? Dan moet een arts ze net opwekken.
Het is moeilijk om precies te bepalen wat de bevalling in gang zet. Toch weten we al heel veel over de hormonen tijdens de weeën en de geboorte. Dankzij die kennis kan een arts weeën veilig en efficiënt uitstellen of opwekken.

De bevalling verloopt in drie fases. Eerst opent de baarmoederhals zich, daarna komt de baby naar buiten, gevolgd door de moederkoek (placenta). 

Net voor de bevalling maakt het lichaam veel oxytocine en prostaglandines aan. Die laatste zetten de weeën, en dus de bevalling, in gang. Oxytocine is een hormoon dat de baarmoeder doet samentrekken, waardoor die de baby naar de baarmoederhals duwt. 

Prostaglandines maken de baarmoeder gevoeliger voor oxytocine. En activeren processen die de baarmoederhals zachter en dunner maken. Zo ontstaat er een opening waar de baby door kan.

Zijn de weeën gestart? Dan lokt de druk van de baby op de baarmoederhals de aanmaak van extra oxytocine uit. Daardoor trekt de baarmoeder nog meer samen, en zwelt de druk op de baarmoederhals aan. Waardoor het lichaam op zijn beurt nog meer oxytocine afscheidt. Die cyclus herhaalt zich tot … de baby geboren is. 

Daarna blijft de baarmoeder samentrekken om ook de moederkoek eruit te duwen. Want pas dan kan ze terugkeren naar de toestand vóór de zwangerschap. Ze trekt hiertoe nog meer samen en verhardt.