Het groeihormoon is een van de belangrijkste producten van de hypofyseklier. Het bepaalt de lichaamsbouw, botontwikkeling én algemene werking van het lichaam.

    De hypofyseklier scheidt ongeveer 70 procent van het groeihormoon af tijdens de eerste uren van de slaap – in de droomfases. De rest produceert ze overdag, met tussenpozen van ongeveer vier uur.

    Heeft ze voldoende groeihormoon aangemaakt? Dan grijpt de hypothalamus in. Die stuurt het hormoon somatostatine met één boodschap naar de hypofyseklier: leg de productie van groeihormoon voorlopig weer stil. Somatostatine wordt overigens ook GH-remmende factor genoemd.
    Tijdens de kinderjaren en de puberteit produceert de hypofyseklier de meeste groeihormonen. Die activeren de botcellen in de ‘groeiplaten’ aan het einde van elk pijpbeen. Daar vermenigvuldigen de cellen zich, waardoor de langere beenderen aangroeien. Samen met de algemene groei, krijgt het geraamte zo zijn volwassen vorm.

    Is een lichaam ‘volgroeid’? Dan smelten de groeiplaten van de langere beenderen samen en zakt de afscheiding van het groeihormoon tot een veel lager niveau. Zo roept het lichaam zijn eigen groei een halt toe.
    Het endocriene systeem vertrouwt op zijn terugkoppelmechanisme dat overproductie (hypersecretie) en onderproductie (hyposecretie) van hormonen voorkomt. Raakt dat systeem uit balans? Dan ontstaan er stoornissen. Dwerggroei en reuzengroei zijn de meest extreme voorbeelden.